zaterdag 23 mei 2009

LosLaten


Aan de ene kant zijn er de scholen die kiezen voor een standaard aanpak. Even grofweg gezegd, de scholen die roepen dat de methodes die zij gebruiken een leidraad zijn voor het gegeven onderwijs. Maar met leidraad bedoelen ze in feite leidend. Het zijn de methodes die aan de hand van de kerndoelen geschreven zijn door de uitgeverijen. De kerndoelen vormen weer de indicatoren van het bijna enige leerlingvolgsysteem dat in ons onderwijsland als geldig beschouwd wordt. En de onderwijsinspectie deze als uitgangspunt neemt in haar onderzoek en certificering.
Een planning- en controlecyclus in een notendop.

Aan de andere kant zijn er scholen die het aandurven alle soorten van aanpak los te laten. Nemen het kind en de ontwikkeling als uitgangspunt. Soms kom ik een dergelijke school tegen. Niet een van de traditionele vernieuwers, Montessori, Dalton of het Vrije onderwijs, ook geen ateliers, maar een onderwijsvorm die zich niet laat vangen.

Van de week trof ik zo’n school. Kinderen mogen al met 3 jaar naar het gebouw, in een vorm van peuterspeelzaal en stromen door wanneer ouders, kind en leerkracht van mening zijn dat het er aan toe is. En zo gaat dat dan tot ze een jaar of 12 zijn.

Maar aangezien het een onderwijsinstelling is, wil de onderwijsinspectie daar ook iets over te zeggen hebben. Je raadt het al, de eindbeoordeling is onvoldoende. Aan de hand van de indicatorenlijst was de inspecteur tot de conclusie gekomen dat er veel niet te meten was en aangezien dit het tweede jaar op rij was, is het een onvoldoende geworden.
Halen ze volgend jaar weer een onvoldoende, krijgt deze school het stempel ‘zeer zwak’.

De directie van de school had al verzuchtend geconcludeerd dat de Eindtoets maar ingevoerd moest worden, de Entreetoets nog maar eens bekeken moest worden en er een paar methodes aangeschaft. Het idealisme was een kopje kleiner gemaakt.

zondag 19 april 2009

Dubbel



"Zij kennen het woord 'of' niet", hoorde ik van de week een leerkracht mopperen. Met "Zij" werd de directie van de school en en passant ook de interne begeleiders bedoeld. "Het is alleen maar 'en' 'en' !! ", ging haar felle betoog verder.

Op mijn vraag of ze daarover al in gesprek was gegaan keek ze me verontwaardigd aan, stootte de collega links van haar aan, wees met haar wijsvinger naar haar voorhoofd en vroeg zich hardop af of ik wel goed snik was. Ze was namelijk als éérste op het management afgestapt en had toch in klare taal duidelijk gemaakt dat het nu voor eens en voor altijd afgelopen moest zijn met steeds maar meer dingen erbij te moeten doen.

Ik liet het daar maar bij.

's Middags, tijdens een plenair rondje, uitte een andere leerkracht zijn zorg over de tendens dat ouders steeds minder de verantwoordelijkheid willen dragen voor de opvoeding van hun kinderen. Hij nam een ontwikkeling waar, waarbij meer en meer opvoedingstaken bij de school (hij bedoelde: bij mij) gelegd werden. En daar was hij het niet zo mee eens.

"Als we ons rijbewijs halen, kopen we een auto en dan gaan we leren rijden", hield een collega van mij eens een groep docenten voor. "Als we van de PABO, PA of kweekschool zijn gekomen, gaan we aan de slag en lijkt het wel alsof het leren stopt", betoogde hij verder.

Loop eens een willekeurige personeelskamer binnen van een willekeurige basisschool. Hoeveel vakbladen liggen daar? Ongelezen?
Okay, in de afgelopen twee decennia is er in ons vak nog nooit zoveel veranderd als in die hele 150 jaar dat er georganiseerd onderwijs plaatsvindt.
Maar als je toch meent dat het in het onderwijs steeds maar 'en' 'en' is en je vindt dat ouders zich minder verantwoordelijk zijn gaan gedragen, dan heb je de afgelopen 10 jaar toch écht onder een steen gelegen, dunkt me.




vandenBerg


zondag 22 maart 2009

Het Beste


Wie bepaalt nu eigenlijk wat goed is voor onze kinderen? Doen wij dat, de volwassen wereld, of doen zij dat zelf? Is het een combinatie van beide vragen en zo ja, wat is leidend?
Wordt het tijd om ons concept ‘school’ te gaan herzien?
Je zou het denken, want her en der ontstaan allerlei ‘nieuwe’ schoolvormen, iederwijs, leonardo, sterrenschool, noem ze maar op.
Maar telkens lijkt het alsof de kern niet geraakt wordt.

Ik was vorige week aan het werk met een schoolteam en tijdens een plenaire discussie vroeg ik hen naar één van de kernwaarden van waaruit zij hun werk doen.
“Voor mij is van belang dat ouders en kinderen mij vertrouwen”, gaf één van de leerkrachten aan.
Dat is een mooi uitgangspunt, beaamde ik en vroeg naar de wederkerigheid hierin.
“Wederkerigheid?’, antwoordde hij. “Ja”, zei ik, “waar zit het onvoorwaardelijke vertrouwen dat jij als professional hebt in de ouders én het kind?”.
Er ontstond enige commotie, want de vertrouwensvraag was nooit expliciet aan de orde geweest. Men vond dat de ouders en het kind er maar van uit moesten gaan dat dat wat de school deed, ook goed voor hen was.

Maar het uitgangspunt is voor mij duidelijk. Onvoorwaardelijk vertrouwen in elkaar, leerkracht, schoolleider, kind en ouder en aan de slag. Onvoorwaardelijk vertrouwen tot het tegendeel bewezen is.

Mijn zoon, hij wordt straks 16, sprak ik gisteren aan de telefoon. Hij zit niet zo lekker in zijn vel momenteel en zit in een moeilijke fase op school. Hij heeft het idee dat hij er niet zo bij hoort en het gevoel dat hij niet opgemerkt wordt. Niet door zijn klasgenootjes, niet door de docenten.
“Weet je, pap”, sprak hij,”ik geloof wel dat die mensen die doorgeleerd hebben veel kennis hebben. Dat willen ze mij steeds maar weer laten zien, door te vertellen hoeveel ze wel niet weten. Maar ik wil geen leraar die steeds laat zien hoeveel hij weet. Ik wil een leraar die míj kent, die wil weten wie ik ben en hoe doe en leer”.

Stil en trots staarde ik voor me uit. Ze weten écht wel wat het beste voor ze is, hoor. Die kinderen.

donderdag 12 februari 2009

Passie

“We doen het voor de kinderen!”, is een veelgehoorde uitspraak in ons vak.
Vaak hoor je dit zeggen door een vertwijfelde leerkracht, meestentijds een part-timer die met 20 uur in de week het gevoel heeft voor 40 uur te werken.
De uitspraak moet blijk geven van betrokkenheid en passie en dientengevolge aangeven dat er met hart voor de zaak gemakkelijk te veel uren gemaakt worden.

En dat is tevens ook het alibi. Een alibi om geen keuzes te hoeven maken. Niet na te denken waarom we dit vak ook alweer doen, en waarom we dat op deze school of in dit gebouw doen en met deze mensen.

Niet na te hoeven denken of de dingen die we dan doen, ook de goede dingen zijn om te doen en vooral waarom we juist deze dingen bedacht hadden om te gaan doen. Met de kinderen.
En dan is het erg gemakkelijk om al die dingen die er dan ‘moeten’ gebeuren aan te wijzen als complicerende factor, werkdrukverhogend, stressbevorderend. De ouders, de inspectie, het bestuur, het moeilijke kind, die lastige groep, het vervelende jaar, noem ze maar op.

Want als we doen wat we doen allemaal voor de kinderen is, dan kan ik écht voor nog eens 1010 uur per jaar aan werk bedenken dat we dan óók voor de kinderen zouden moeten doen.

Maar dat zal niet de bedoeling zijn.